Culturele sector op zoek naar eigen inkomsten

Deze post is het tweede vervolg van de eerdere posting ‘Kunst tussen crisis en kans. Eerder werd het gehele artikel geplaatst in Den Haag Centraal, met medewerking van grote culturele instellingen in de Hofstad, waaronder Koninklijke Schouwburg, Gemeentemuseum Den Haag, Circustheater, literair-theater Branoul, De Appel, Galerie Project 2.0 en het Residentie-orkes. Dit onderdeel gaat over de zoektocht naar eigen inkomsten en over de educatieve taken.

De verschillen op financieel gebied tussen de in de rondgang opgenomen zijn organisaties groot. Afhankelijk van productiekosten, doelgroep, locatie en historie bevinden de eigen inkomsten voor culturele instellingen in Nederland zich ergens tussen de 20% en 95%. De laagste cijfers worden gegenereerd door bijvoorbeeld de opera en theatergezelschappen, de hoogste door poppodia, waar vooral de horeca neveninkomsten van belang zijn. Alle instellingen zijn actief op zoek naar nieuwe bronnen van financiering maar geven ook aan dat er een bovengrens is.

Rikkert Kremer stelt dat het Concertgebouworkest wereldwijd gezien de top is van de symfonische orkesten. ‘En dat toporkest, op een toplocatie en in een top-gebouw, haalt ongeveer 50% eigen inkomsten. Dat geeft aan dat er een grens is. Bij het Residentie-orkest is de ambitie om jaarlijks 1% te stijgen in de eigen inkomsten, die nu rond de 27% bedragen. Ik denk dat 40% echt het maximale is wat we uit de markt kunnen trekken. Dat klinkt wellicht weinig, maar we moeten wel zien te groeien in een krimpende markt.’ De Koninklijke Schouwburg is al langer bezig om het eigen inkomsten percentage te verhogen en heeft naast verhuurinkomsten ook het nieuwe KS-genootschap, een vereniging van ondernemers uit Den Haag die door een lidmaatschap de Koninklijke Schouwburg op wat meer laagdrempelige manier kunnen sponsoren.

Een instelling die al heel lang ervaring heeft met eigen inkomsten genereren is GEM, dat als eerste museum in Nederland over eigen restaurant beschikte.’Daar werd toen schande over gesproken, nu zie je dat het nieuwe Rijksmuseum in Amsterdam bij de heropening een Michelin-sterrenrestaurant hoopt te bezitten’, aldus Benno Tempel, ‘Ik vind dat een zeer goede zaak. Zo wordt museumbezoek een andere beleving. Ik zie daarnaast mogelijkheden het percentage eigen inkomsten te verhogen door kostenreducties, denk aan het afschaffen van het verzekeren van de collecties van musea of het versimpelen van het in bruikleen geven van stukken aan andere musea. We beheren tenslotte de collecties voor alle Nederlanders. Gevoeliger ligt een onderwerp als een gemeenschappelijke opslag van de collectie, nu wil elk groot museum zelf zo’n opslag, terwijl in Nederland drie gezamenlijk opslaglocaties zouden volstaan.’

Tempel vindt ook dat de sector in het verleden te weinig heeft gecommuniceerd met de samenleving en de politiek. ‘Er bestaat veel onduidelijkheid bij politici en bij de bevolking over de geldstromen die naar instellingen gaan. Daar hebben we als sector echt steken laten vallen. We moeten het beter uitleggen, meer laten zien wat we al hebben gedaan en nu doen. GEM heeft nu een project in Den Haag lopen waarbij bewoners van telkens één deelraad gratis naar binnen mogen, iets en waarvoor we ook bussen laten rijden van het stadsdeel naar het GEM. Dat is een groot succes, het verlaagt de drempel voor veel mensen en we verwachten veel herhaalaankopen. In het verlengde hiervan kan de uitspraak van ondernemer Coen van den Oever worden gezien: ‘Als bezoekers zien wat met hun belastinggeld wordt gedaan, is de acceptatie bij Henk en Ingrid direct veel groter.’

Het verhogen van de eigen inkomsten is zeker in tijden van crisis geen sinecure. Hendrik Wassenaar van het Circustheater ziet echter ook kansen: ‘de demografische ontwikkelingen worden scherp in de gaten gehouden vanuit moedermaatschappij Stage Entertainment Holding. Vergrijzing, maar ook een andere bevolkingssamenstelling qua culturen maakt het noodzakelijk nieuwe concepten, nieuwe verdienmodellen te ontwikkelen. Daarbij zal ook worden gedacht aan de vorming van nieuwe allianties. Er valt binnen de sector nog veel van elkaar te leren, we zijn geen concurrent van elkaar, maar vullen elkaar aan. De crisis is niet alleen een bedreiging, maar ook een kans.’

De oproep tot meer cultureel ondernemerschap leidt niet alleen tot hosannageluiden uit de sector. Veel instellingen vinden dat ze al lang ondernemend zijn en zien de toevoeging ‘cultureel’ graag vallen. Zonder ondernemerschap had De Appel bijvoorbeeld al lang niet meer bestaan. Al in de jaren zeventig gaf het theatergezelschap ‘obligaties’ uit de aankoop van het gekraakte pand mogelijk zouden moeten maken. Jaarlijks wordt hier een deel van uitgeloot, de laatste uitstaande obligaties nog onlangs. Nu is het gebouw, dat ooit werd gekraakt, in eigen bezit. Van den Oever stelt dat er veel te weinig aandacht is voor commercie binnen de sector, terwijl overduidelijk is dat ‘uit onderzoek blijkt dat maar 5% van de kunstenaars en wellicht ook van de galeries levensvatbaar is’. Meerdere geïnterviewden gaven aan dat ondernemerschap onderdeel zou moeten zijn van de opleiding van kunstenaars.

Aan ideeën in de sector echter geen gebrek, De interviews leverden een berg aan plannen op om de eigen inkomsten te verhogen, lopend van het aanbieden van valet parking, nachtvoorstellingen, loyaliteitsprogramma’s, businessclubs, een samenwerkingsverband met ADO Den Haag en het combineren van verschillende cultuurvormen het meest op. Een mooi voorbeeld van het laatste is een initiatief waarbij galeries aan het Noordeinde musici van onder meer het Residentie-orkest laten optreden op locatie.

Gedwongen door de subsidie-eisen zetten alle instellingen in op educatie. Zo ontdekten we op maandagochtend, toch een dag dat het museum gesloten is voor het publiek, een grote groep scholieren in het GEM. Hoewel nergens in de wereld aangetoond is dat educatie later leidt tot meer (herhaal)bezoek, zet de overheid sterk op dit facet in. En dus volgen de gesubsidieerden met een breed palet aan beleidsplannen die op educatie gericht zijn, vooral voor jongeren maar zeker niet alleen op deze doelgroep gericht.

De Koninklijke Schouwburg zal de komende jaren meer jeugdvoorstellingen tonen, mede door de samenwerking van het Nationale Toneel met toneelgroep Stella, dat zich gespecialiseerd heeft op jeugdtheater. Ook Branoul, een kleinschalig literair theater in de Maliestraat, gaat zich meer op educatie richten. Bob Schwarze en Noucky Koole van Branoul: ‘De programmering en plannen gaan zich met name richten op het verbreden, verjongen en uitbreiden van het publiek. Onze missie blijft: literatuur en theater. Hiertoe willen we een educatief traject voor scholieren, van basisschool tot VMBO en VWO, opstellen, maar ook gaan samenwerken met letterenstudenten. Daarnaast willen we het cultureel erfgoed verder gaan ontwikkelen met projecten rondom de Antiliaanse, Surinaamse, Indische en Zuid-Afrikaanse literatuur. Het is duidelijk dat onze huidige financiële situatie daarvoor nu niet toereikend is. Dus moeten we het gaan zoeken in alternatieven, want we werken al met veel vrijwilligers. We zullen de komende jaren steeds zichtbaarder worden in de omgeving van de Denneweg en Maliestraat, zoals met Schrijvers achter de ramen en twittersessies’.

Dit is het derde deel over de kunstensector in de crisis, het laatste deel verschijnt later deze week.

Het artikel is geschreven door Rob de Wit, Lizet Baars en Gyuri Vergouw, die tezamen The Artifacts hebben opgericht, een adviesbureau dat kennis van cultuurkenners, cultuurdragers en adviesprofessionals samenvoegt om de culturele sector op zaken als ondernemerschap, doorlichtingen, efficiency en her-oriëntaties te ondersteunen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *