The Godfather, part 4: over de balans tussen creativiteit en zakelijkheid

Onlangs heb ik de trilogie van ‘The Godfather’ op DVD gezien, nog steeds een briljant epos over de familie Corleone en de maffia in de periode 1901-1990. Dit artikel gaat niet over deze geweldige films maar over de totstandkoming ervan, en dan vooral van deel I. Normaliter kijk ik nooit naar de extra’s, zeg maar ‘The making of’, op DVD’s. Nu maakte ik een uitzondering. De ontdekking die volgde was bijna net zo bijzonder als de films zelf. Regisseur Francis Ford Coppola vertelt over de problemen bij de totstandkoming en het feit dat hij continu moest vechten om The Godfather deel I te kunnen (c.q. mogen!) voltooien. Heeft dit met management te maken? Zeker!

The Godfather I wordt algemeen erkend als de beste film ooit, maar dat is niet te danken geweest aan de filmbazen. Of toch wel?

Al Pacino wordt kort na aanvang van het draaien als hoofdrolspeler door de studio afgewezen. Hij is op dat moment een (te) onbekende acteur, heeft geen charisma en de filmbazen hebben plots liever een ster als Robert Redford: blond haar kan je tenslotte altijd nog Italiaans zwart verven! De latere Oscarwinnaar Marlon Brando mag alleen meedoen als hij een contract tekent waarin hij aangeeft geen problemen te veroorzaken op de set en geen gage te vragen. En het ergst is regisseur Francis Ford Coppola er aan toe. De studio ziet het niet meer in deze relatieve nieuweling zitten en een mogelijke vervanger kijkt vanaf het begin continu over zijn schouders mee, wachtend op een beslissing van het hoofdkantoor.

Het lijkt een vreemde gang van zaken. Je stelt als studio een regisseur aan en dan trek je als hij begint te draaien al zijn keuzes in twijfel. Hoe is dit dan toch mogelijk?

Coppola had in de jaren zestig een naam opgebouwd als scenarioschrijver en wint in 1970 een Oscar voor zijn script van het oorlogsdrama ‘Patton’. Met het verfilmen van ‘The Godfather’ krijgt Coppola zijn eerste echt grote kans als regisseur. Niet slecht voor iemand die begin jaren zestig is begonnen met erotische B-films. Het boek waarop de film gebaseerd is, ‘The Godfather’ van Mario Puzzo, is daarnaast op het moment van de benoeming van Coppola geen groot succes in Amerika. Een half jaar na de benoeming van Coppola is het dat wel. Kortom, de regisseur is ingehaald door het succes van het boek en de filmbazen willen nu sterren op het doek en een gerenommeerde regisseur. Geen nobody’s als Al Pacino en Francis Ford Coppola dus.

Waar zit nu de kracht van dit verhaal en de link met management? Naar mijn mening in de balans die altijd weer gevonden moet worden tussen de eisen van studio’s en de wensen/eisen van de regisseur. Geld versus creativiteit. Zekerheid versus risico. Resultaat versus kunst.

De kracht van Coppola bij de totstandkoming van ‘The Godfather’ is denk ik geweest dat hij een heel duidelijke visie had over hoe de film gemaakt moest worden en vooral met wie. De vier belangrijkste rollen waren door hem vooraf ingevuld met Al Pacino, Marlon Brando, James Caan en Robert Duvall. Echter, als het boek van Puzzo plots een doorslaand succes is, gaat de studio aan de rolverdeling sleutelen. Veel beroemde acteurs doen auditie voor de rol van Michale Corleone (Pacino) en er wordt alleen al voor $ 400.000,– uitgegeven aan screentest (o.m. Robert de Niro, Martin Sheen). Uiteindelijk bleef alles bij hetzelfde. Coppola houdt zijn poot stijf en moet onder grote (emotionele) druk de film maken. Voor de rol van Brando gaat hij zelfs letterlijk op de knieen. Dat geldt ook voor zijn keuze voor Pacino, die tijdens de eerste draaiweken zelfs door studiomedewerkers wordt uitgelachen tijdens opnamen. Coppola blijft echter volledig achter zijn keuzes staan.

Maar ook de studio haalt weleens het gelijk. Zo wilde Coppola deel III van cyclus eigenlijk ‘The death of Michael Corleone’ noemen. Niet echt een titel waar je warm voor loopt. The Godfather is een van de weinige filmcycli (en de eerste hierin) waarbij de doornummering perfect werkt. Ook het spel van dochter Sofia Coppola (later maakt zij ‘Lost in Translation’) steekt schril af bij het klassespel van de overige acteurs. A la.

Wat zijn nu de lessen? 1) Als je ergens helemaal in gelooft, dan hou je vast aan je plan, ‘no matter what’. 2) Het opportunisme van sommige managers kent soms geen grenzen. Je moet sterk in je schoenen staan om daar niet aan ten onder te gaan 3) Stress werkt niet altijd slecht. De druk van buitenaf was enorm, maar zowel acteurs als regisseur halen het beste uit zich naar boven. Iedereen leek er zeker van te zijn te worden ontslagen door de studio en werkte daardoor extra hard om het point of no return te bereiken 4) Succes is vaak, maar niet altijd, een samenspel van creatievelingen en niet-creatieven. Vernieuwing, genialiteit en visie komt van decreatieven. De niet creatieven moeten e.e.a. in toom zien te houden en zaken als financien, marketing en sales voor hun rekening nemen.

En nu komt de aap uit de mouw. Want dit staat NIET op de DVD. Coppola had, begrijpelijkerwijs na ‘The Godfather I’, een hekel gekregen aan de invloed van de studio’s op het ‘handwerk’ van het filmmaken. Film is kunst en daar moeten ‘executives’ van af blijven. Hij richt na zijn volgende succesfilm ‘Apocalypse Now’ zijn eigen Zoetrope studio op, een plek waar regisseurs vrij kunnen werken zonder inmenging van de studio’s. Zijn eerste werk? ‘One from the heart’. Een absolute ramp qua bezoekersaantallen en omzet. Na een film is de droom van Coppola in duigen en staat hij dichtbij een bankroet. Kortom, juist het energievretende samenspel tussen creatieven en niet-creatieven kan (ik zeg hier met name KAN) leiden tot grote wonderen. Tot een meesterwerk! Niemand, zelfs de grootste creatievelingen, kan het helemaal alleen. Hoe vervelend dat soms ook is.

Waarschuwing: niet alle DVD-boxen van The Godfather trilogie bevatten de hier besproeken extra’s!

Lees ook: Is creativiteit bij managers wel noodzakelijk?

Ook leuk: denk altijd het tegenovergestelde

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *